
Ik was veertien
Vakantie. Teenslippers. Dansen.
Alcohol.
Mijn vader en broer gingen terug. Ik bleef.
Met hem.
No!
Let go!
Stop, no!
“Shut up”
Hij wou het niet horen.
Hij nam. Hij sloeg. Hij vernederde.
Ik? Ik was gebroken. Misbruikt.
Verkracht.
Getraumatiseerd.
Boos. Verdrietig. Angstig.
Machteloos.
Ik draag het nog steeds.
Onzichtbaar.
Maar ik geef niet op.
Dat moment wint niet.