
Als kind voelde school voor mij zelden als een veilige plek. Ik werd vaak gepest en gezien als buitenbeentje. Schoolprestaties zelf kwamen maar moeilijk naar voren: waar sommigen in een week al makkelijk tafels konden opdreunen, kostte dit mij zeker een week extra. Ik was dromerig, afgeleid, ik dacht aan fantastische werelden zoals ik had gezien in tekenfilms/cartoons/games of gelezen uit boeken. Deze verwijdering en eenzaamheid drukte een stempel op mijn hele schooltijd. Op de basisschool al, maar ook op de middelbare school bleef dat nare patroon zich herhalen. Ik voelde me vaak buitengesloten, anders, niet gezien. Vrienden had ik nauwelijks, en ik werd zelden echt begrepen.
Waar anderen in de klas zichzelf leken te vinden, raakte ik mezelf steeds een beetje meer kwijt. Maar er was één plek waar ik wél tot rust kwam: in de wereld van games. Daar voelde ik me veilig. In de digitale werelden die ik verkende, kon ik zijn wie ik wilde zijn. Ik had controle. Daar kon ik ontsnappen aan de onzekerheid, het onbegrip en de leegte die ik in het echte leven vaak voelde.
Toch heb ik altijd het gevoel gehad dat ik potentie had: dat er íets in mij zat wat eruit wilde komen. Ik heb door de jaren heen meerdere hobby’s en sporten geprobeerd: paardrijden, tennis, volleybal, gitaarspelen. Het waren uitlaatkleppen, momenten waarop ik even adem kon halen. Maar nergens vond ik lang rust. Mijn puberteit werd een zoektocht, soms chaotisch, soms opstandig, naar wie ik eigenlijk was.
Uiteindelijk besloot ik te stoppen met de havo. Niet uit gemak, maar omdat ik het simpelweg niet meer wist. Wat wilde ik met mijn leven? Alles voelde zinloos. Na een mooie reis in Thailand te hebben gemaakt, wist ik dat er toch iets voor mij moest zijn. Ik verhuisde naar Amsterdam en dat was een behoorlijke ontdekking voor iemand als ik die uit een vrij klein dorpje kwam. Drukte, menigtes, veel gezichten, veel indrukken. Het opende zoveel deuren voor mij om op verkenning te gaan. Het voelde als een nieuwe wereld waar ik toch het gevoel had dat ik meer van mijzelf kon gaan vinden. Ik werkte in de horeca, achter recepties, nam tijdelijke baantjes aan. Ik besloot via een 21+ toets tóch het HBO binnen te komen (game development nog wel!). Echter toen stortte het kaartenhuis weer in. Er waren opeens zoveel nieuwe dingen om de hoek komen kijken: op kamers wonen, geld verdienen, huisgenoten, tentamens. Het was spannend, maar ook zo ongelofelijk veel. Ik had ermee te veel hooi op mijn vork genomen. Helaas kwam de coronaperiode daar bovenop en kon ik niet een positief BSA halen voor mijn studie. Ik was verhuisd en er moest een verandering komen. Ik moest en zou hier wat van maken. En op een dag dacht ik: “Dit is het moment om serieus werk te maken van mijn carrière.” Ik werd recruiter. Ik kwam eerst terecht in een bedrijf dat vrij rustig was, maar een aantal tegenvallers vanuit het management maakte dat ik niet kon blijven na een paar jaar. Toen kwam de volgende stap in een groot recruitmentbedrijf dat voelde als een scène uit “The Wolf of Wall Street” – snel, luid, competitief. In het begin dacht ik: “Dit is het, nu ga ik écht ergens komen.”
Maar al snel viel ik door de mand. Niet omdat ik niet hard werkte, maar omdat ik mezelf verloor. Mijn relatie was net daarvoor stukgelopen, mijn motivatie brokkelde langzaam af, en de werksfeer paste totaal niet bij wie ik was. Het constante lawaai, de prestatiedruk, het haantjesgedrag – ik kon er niet tegenop. Ik kon me niet concentreren. Ik was te langzaam, te stil, te anders. Uiteindelijk werd ik ontslagen. En ik was verdwaald.
Ik had een appartement waar ik eigenlijk het geld niet meer voor had, maar verhuizen kostte óók energie die ik niet meer had. Ik had geen diploma, geen duidelijke richting, en weinig hoop. Ik kon me niet zomaar “verkopen” op een arbeidsmarkt die snelheid, flexibiliteit en keiharde inzet verwachtte. Ik was moe.
En tóch… vond ik ergens diep vanbinnen weer een beetje kracht. Ik besloot terug te verhuizen en, hoe pijnlijk dat vroeger ook had gevoeld, mijn havo alsnog af te maken. Deze keer niet omdat het moest – maar omdat ik het zelf wilde. En met alles wat ik inmiddels wist over mezelf en mijn worstelingen, besloot ik ook om te onderzoeken of ik misschien neurodivergent ben. Want misschien ben ik nooit “te langzaam” geweest – misschien werkte mijn brein gewoon anders.
Dit is geen verhaal met een perfect einde. Maar het is wél een verhaal van vechten, vallen, en telkens weer opstaan. En elke stap – hoe zwaar ook – heeft me dichter bij mezelf gebracht.